InfoCash

Artikel

Boekverslag Montyn van Dirk Ayelt Kooiman

Auteur: laurens313 | geschreven op 09-10-2011

Het boek Montyn is geschreven door Dirk Ayelt Kooiman. In dit verslag wordt speciaal aandacht gegeven aan de hoofdpersoon van het verhaal, de motieven, de vertelsituatie en het thema. Het boek bevat 340 pagina's.


De hoofdpersoon

De hoofdpersoon van het verhaal is Jan Montyn. Ondanks zijn strenge gelovige opvoeding die hij ondergaat heeft hij afkeer voor het geloof. Hij wil het avontuur opzoeken en kan eigenlijk nooit stilzitten. Dus hij besluit het gevaar op te zoeken, maar denkt hierbij niet na over de consequenties. Hij gaat namelijk in het verzet bij de Duitsers. Aan het begin van het verhaal sprak Jan vooral over het noodlot, hier geloofde hij in. Later heeft hij er van gemaakt: “Omdat het zo gelopen is”:

Citaat: ‘Ik stond op. Gaf iedereen een hand. Stond weer buiten, bij de achterdeur. En opnieuw die vraag: ‘Waarom heb je toen getekend?’ Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik weet het niet. Ieder antwoord klink achteraf belachelijk. ’t Is nu eenmaal zo gelopen…’ 

Daarnaast maakt hij eerst vrienden, maar later probeert hij dit zoveel mogelijk te vermijden, omdat hij zijn goede vriend Hein verloren heeft. Hij is dus bang om dierbaren te verliezen. Verder heeft hij tijdens het verhaal wel verschillende kortstondige relaties met vrouwen. Op het einde heeft hij zijn levenspartner gevonden en krijgt hij met haar een dochter. Ook kan Jan erg goed tekenen en etsen, dit is iets wat steeds terugkomt in het verhaal.

Belangrijkste Motieven

Onrust

De onrust van Jan Montyn vormt een belangrijk motief. Dit zorgt ervoor dat hij steeds weer het avontuur op zoekt. De onrust heerst er al wanneer hij op een leeftijd van twaalf jaar het niet uithoudt in de kerk (‘'Die somberheid, die bleke gezichten boven 't zwart. En die zondvloed van woorden die me absoluut niets te vertellen hadden.'). Jan denkt dat hij deze vorm van onrust kan bedwingen door het avontuur op te zoeken en dus in het verzet te treden.

 

Claustrofobie

Wat ook een motief is in het verhaal, is claustrofobie. Uit het verhaal blijkt namelijk dat Jan angst heeft voor gesloten ruimtes. Deze angst openbaart zich al vrij vroeg, bijvoorbeeld als hij moet werken in een fabriek in Waddinxveen: ‘Daar moest ik, omgeven door een oorverdovend lawaai, bouten aandraaien, van acht tot zes. – Ik raakte volledig in paniek. Het gedreun van de machines, het gevoel opgesloten te zijn.’. Verder komt dit motief ook nog vaker naar voren tijdens zijn avonturen in de oorlog.

 

Geweld

Geweld speelt ook een grote rol in het verhaal en kan ook als motief worden gezien. De verschrikkingen van het oorlogsgeweld worden uitvoerig beschreven. Niet alleen de gevechten, martelingen, verkrachtingen en bombardementen, maar ook de psychische gevolgen komen sterk naar voren. Dit motief zorgt er grotendeels voor dat het een spannend verhaal is.

Dromen

De dromen die Jan doormaakt spelen in het verhaal een opvallende rol. Jan droomt niet alleen van oorlogsverschrikkingen na afloop van de oorlog, maar hij droomde ook tijdens het hevige oorlogsgeweld in de loopgraven over zijn geboorteplaats Oudewater. Hij zag het in zijn droom als een lieflijk, arcadisch landschap, citaat: ‘Die nacht zag ik wanneer ik mijn ogen sloot de tuin bij Oudewater. Ik zag stralend zonlicht, statige witte wolken in een blauwe lucht. Ik zag het prieel, fris in de verf. Mijn konijnenhokken. Een sloot met kikkers. Een merel in een boom. De duiven koeren… - Ik klemde mijn kaken op elkaar. Drogbeelden, verdwijn! Verleid me niet! Er is maar één werkelijkheid, en die werkelijkheid is deze.’

 

Geluk Jan  heeft ondanks alle ellende die hij heeft meegemaakt enorm veel geluk. Bijvoorbeeld toen hij in Korea in een ravijn viel. Hij had toen erg veel geluk, een normaal mens zou dood geweest zijn. Ook toen hij met ernstige wonden van granaatscherven een schot naar huis kreeg. De boot waar hij in lag werd net buiten de haven getorpedeerd, maar juist hij werd gered. 

 

Getallen

Dit is een leidmotief in het verhaal, dus een motief dat vaker terugkomt. Bijvoorbeeld de regelmaat van het waken en het slapen in de loopgraven komt steeds weer terug. Ook telt Jan als hij denkt dat het gewondentransport voor de tweede keer schipbreuk zal gaan lijden.

 

Vertelsituatie

Het verhaal wordt verteld vanuit de ik-vorm. Het wordt vanuit de hoofdpersoon Jan Montyn verteld. Hij doet dit achteraf, het is een vertellende ik, want hij verteld in de verleden tijd wat hij heeft meegemaakt. De spanning in het verhaal wordt ook beïnvloed door de vertelsituatie, want het is soms voor de lezer duidelijk dat de verteller de afloop al weet, omdat hij vooruitloopt op de afloop (bijvoorbeeld: ‘Die nacht zou ik mijn vuurdoop in nog een opzicht ondergaan.’). Door deze vertelsituatie komt de lezer alleen de gedachten en gevoelens van Montyn te weten. De andere personen leer je alleen via hem kennen. Daarnaast komt het thema ook nog meer naar voren doordat je met de hoofdpersoon gaat meeleven. De onrust die Montyn beleefd, wordt als het ware door de lezer ook gevoeld. Verder kan de hoofdpersoon worden vergeleken met de schrijver, Kooiman. Hij heeft zich ingeleefd in de man en zijn verhaal, de “ik” in “Montyn” is dus in zekere zin ook een dubbele ik.

 

Thema

Het thema van deze roman is de onrust die Montyn kwelt en waardoor hij negens in tot rust kan zijn. Deze onrust komt tot stand door bepaalde factoren: isolement, claustrofobie, politieke desintresse. Door zijn innerlijke onrust voert hij alle handelingen uit en loopt het verhaal zoals het loopt. Hierdoor geeft hij zich op als vrijwilliger bij de Jeugdstorm en uiteindelijk leidt dit ertoe dat hij in het verzet en in buitengewone situaties terecht komt. Hij is er totaal niet politiek bewust van hoe de zaken in elkaar steken. Het enige wat hij wil, is op avontuur. En hiermee is Montyn tegelijkertijd op een zoektocht naar de zin van het bestaan. Tijdens deze zoektocht telt Montyn de reeds verloren dagen.