InfoCash

Artikel

Kobus en Agnietje, historie van een burgervryaedje

Auteur: JoostB | geschreven op 07-10-2010

In 1733 schreef de schrijver Justus van Effen beroemd vanwege het tijdschrift De Hollandsche Spectator, een tijdschrift uit de 18e eeuw, het verhaal Kobus en Agnietje. Hieronder volgt meer over dit boeiende verhaal.


Oorsprong

De novelle in briefvorm is in 1733 geschreven, in de tijd van het Classicisme en de Verlichting. Een kenmerk van de Verlichting was de behoefte om het gewone volk te beschaven, en ze kennis te laten nemen van de realiteit. In de Hollandsche Spectator zie je dat heel goed terug. Van elke brief kan het volk iets leren, door als ‘toeschouwer’ een kijkje te nemen in het dagelijks leven. Zo wordt het volk ‘beschaafd’.
Het verhaal is door de zogenaamde buurman van Agnietje geschreven, maar eigenlijk is het gewoon door van Effen zelf geschreven.
Uit de titel kan opgemaakt worden dat het om de liefde tussen twee burgers gaat.

Verhaal

In het proloog zegt de schrijver van de brief dat hij in zijn jeugd dacht dat alles om intellect en beschaafdheid draaide. Hij kon zich totaal niet voorstellen hoe onderontwikkelde mensen aan elkaar de liefde konden verklaren. Hij had dit van de galante ridders uit romans, maar hij zag later in dat gewone mensen even hartstochtelijke liefde kunnen hebben als zijn ridders.
De auteur ziet de 18-jarige dochter van een goedgemanierde weduwe – Agnietje geheten - die op de stoep staat te wachten. Dan komt Kobus, een beetje een boerse maar verlegen jongen, langs en hij vertelt haar wat hij voor haar voelt. Dit echter zonder succes, en ondanks dat hij haar verzekert dat hij een oprechte, nette jongeman is, wijst ze hem af. Maar als hij afdruipt, opent ze toch nog even de deur en kijkt hem na.
De zondag daarop loopt hij weer – netjes gekleed dit keer – langs, maar Agnietje is helaas niet thuis. De week daarna is ze er wel, en Kobus gaat met zijn zus Keetje – die hem een beetje helpt met het veroveren van haar hart – bij haar op bezoek. Ze lopen even een ‘grachtje om’, en als ze weer vertrekken krijgt Kobus drie zoentjes van Agnietje. Steeds vaker zijn ze nu samen te zien, en de roddels beginnen te komen. Er wordt gezegd dat zo’n toekomstig rijke jongeman als Kobus – die de erfenis krijgt van zijn tante Motje - helemaal niet hoort te trouwen met een meisje zonder geld. Ze zijn echter gelukkig samen, en Kobus’ vader roept de auteur – die zijn advocaat en vriend is – erbij voor advies. De auteur zegt dat ze het huwelijk niet uit moeten stellen, en de vader nodigt hem uit voor een diner waar iedereen aanwezig zal zijn.
Aanwezig is ook Motje, de tante van Kobus waar hij een grote erfenis van gaat krijgen, en er wordt gepraat, gelachen en gegeten. Tussen Kobus en Agnietje is intussen iets moois gegroeid, en Kobus heeft met mes en vork leren eten, wat in die tijd zelfs voor de adel nog niet gebruikelijk was. Ook wordt hij nu Jacob genoemd. Op het eind van de avond stelt de advocaat voor dat ze moeten trouwen. Motje neemt de laatste twijfel weg door aan te kondigen dat ze de bruidsschat van Agnietje wel wilt betalen. Het huwelijk wordt officieel gemaakt, en de verdere avond wordt vrolijk doorgebracht.

Strekking

De schrijver wil in dit verhaal duidelijk maken dat voor een huwelijk liefde en karakter een stuk belangrijker zijn dan het geld en bezit dat iemand heeft. Verder betoogt hij dat liefde niet alleen bij de adel mogelijk is, maar dat dit ook gewoon bij de gewone burgerij kan, en dat die mensen er zelfs beschaafder van worden. Hij geeft met dit verhaal dan ook het startschot voor de burgerlijke novelle; op eenvoudig geschreven wijze schrijft hij serieus over de gewone mensen.

Personages

Kobus, een twintigjarige timmermansknecht, is een beetje verlegen en heeft niet echt goede manieren. Hij is van lage komaf, maar heeft een rijke familie.
Argumenten die hij Agnietje geeft om verkering met hem te nemen zijn dat hij elke zondag naar de kerk gaat, hij nooit in de kroeg komt, en dat hij later zijn vader opvolgt in de zaak. Bovendien is hij de enig erfgenaam. Deze dingen waren toch wel belangrijk in die tijd.

Over Agnietje wordt enigszins weinig vertelt. Zij en haar moeder hebben nauwelijks geld doordat de vader is overleden. Ze denkt veel aan haar moeder, misschien iets te veel, omdat ze daarom aanvankelijk ook niets met Kobus wil beginnen. Wel heeft Agnietje goede manieren, en haar moeder heeft een eigen linnenbedrijfje waar zij ook mee helpt.

Over de rest, zoals vader en moeder van Kobus of Motje, kom je weinig te weten.

Mening

Leuk vind ik dat De Hollandsche Spectator gewoon een populair tijdschrift was in die tijd, een van de eerste. Eindelijk wordt eens een keer het normale volk met hun gebeurtenissen beschreven, in plaats van de grote dingen die tussen de hoge heren gebeurden en die de loop van de geschiedenis veranderden. Men zegt dat Van Effen’s schrijfstijl moderner aandoet dan vele van zijn tijdgenoten deden, maar nog steeds is het lastig te lezen. Wel worden bepaalde uitdrukkingen en woorden uit die tijd onder elke bladzijde uitgelegd, maar toch stoorde het moeilijke lezen.
Kobus en Agnietje is een verhaal over jonge mensen dat om die reden toch nog wel enigszins aanspreekt, maar dat miniem. Spannend werd het verhaal nooit, aangezien er een auctoriale vertelwijze heerst. Zo kom je niet de gedachtes of emoties van de personages te weten, wat jammer is. Het leuke van zo’n verteller is wel dat je zelf toeschouwer bent van het geheel, en dat je rustig kunt bekijken hoe alles verloopt.