InfoCash

Artikel

Economische begrippen

Auteur: Daatsel | geschreven op 10-10-2010

Informatie over enkele economische begrippen en hun betekenis in de bedrijfsadministratie.


Enkele begrippen en hun betekenis

Financiële gegevens: gegevens die te maken hebben met geld.

Boekhouding: het onderdeel van de administratie, waarin financiële gegevens over verandering in bezittingen, schulden en eigen vermogen worden vastgelegd.

Balans: een overzicht van de bezittingen, schulden en het eigen vermogen van een onderneming op een bepaald moment.

Resultatenrekening: winst- en verliesrekening, een overzicht van de baten en de lasten in een bepaalde periode; het verschil tussen de lasten en baten is de winst of het verlies van de onderneming.

Inventaris: Een verzamelnaam voor een aantal hulpmiddelen in de onderneming, zoals kassa’s en toonbanken in een winkel, bureaustoelen, computers en archiefkasten in een kantoor.

Debiteuren: klanten van wie een bedrijf nog geld krijgt. Een bedrijf heeft goederen op rekening verkocht. De klant heeft de goederen al van het bedrijf gekregen, maar heeft nog niet betaald. “debiteuren” behoort dus tot de bezittingen van een bedrijf.

Crediteuren: Leveranciers, die nog geld van een bedrijf te goed hebben. Een bedrijf heeft goederen op rekening ingekocht. Het bedrijf heeft de goederen al gekregen van haar leverancier, maar heeft nog niet betaald. “crediteuren” behoort dus tot de schulden van een bedrijf.

Hypothecaire lening: Langlopende lening met een onroerende zaak (bijv. een gebouw) als onderpand.

Eigen vermogen: Het bedrag dat de eigenaar zelf in zijn onderneming geïnvesteerd heeft. Hoe kun je het eigen vermogen bereken? Eigen vermogen = bezittingen – schulden.

Vreemd vermogen: vermogen dat van anderen dan de eigenaar afkomstig is; het zijn de schulden van de ondernemer.

Activa: kapitaalgoederen die je bezit.

Vaste activa: duurzame kapitaalgoederen die je meerdere productieprocessen kunt gebruiken, zoals gebouwen, grond, inventaris en machines.

Vlottende activa: kapitaalgoederen die je maar een productieproces kunt gebruiken, zoals voorraad, handelsgoederen, debiteuren en liquide middelen.

Liquide middelen: vlottende activa waarmee je kunt betalen: onder te verdelen in geld dat je in kas hebt (kas) en geld op je lopende rekening hebt staan (bank,Postbank).

Vreemd vermogen: vermogen dat anderen aan jou ter beschikking gesteld hebben; het zijn schulden die je op een bepaald moment terug moet betalen.

Vreemd vermogen lange termijn: vreemd vermogen waarover je langer dan 1 jaar kunt beschikken; schulden die je niet binnen 1 jaar hoeft terug te betalen, zoals een hypothecaire lening.

Vreemd vermogen korte termijn: vreemd vermogen waar je maximaal 1 jaar over kunt beschikken; schulden die je binnen 1 jaar moet terugbetalen, zoals crediteuren.