InfoCash

Artikel

De kwantiteitstheorie van Fisher

Auteur: JoostB | geschreven op 26-10-2010

Wanneer leidt meer geld tot inflatie, en wanneer niet? In dit artikel wordt het u duidelijk gemaakt door middel van Fisher met zijn kwantiteitstheorie.


Fisher’s kwantiteitstheorie

De Amerikaanse econoom Irving Fisher (1867-1947) formuleert in 1911 in The purchasing power of money zijn kwantiteitstheorie. In deze theorie duidt hij het verband aan tussen de geldhoeveelheid en prijsstijgingen. Zijn theorie luidt in symbolen:

MV=PT

M totale geldhoeveelheid in een economie
V omloopsnelheid van het geld (bijv. hoe vaak een euro wordt doorgegeven)
P prijspeil
T aantal verhandelde goederen in een economie.

Nu in woorden: PT staat voor de totale productie in een land, ook wel het BBP. Stel, de totale geldhoeveelheid (M) in een economie is op een bepaald moment 50 miljard euro. Het BBP (PT) in geld is 100 miljard euro. Dan kan dit BBP dus betaald worden door het geld gemiddeld 2 keer (V) door te geven. Fisher zegt dus ook dat een stijging van de geldhoeveelheid onvermijdelijk leidt tot inflatie. Als de geldhoeveelheid namelijk meer wordt, moet er aan de andere kant van de vergelijking ook iets gebeuren om het in evenwicht te houden. V en T zijn volgens Fisher constant, dus moet het prijspeil wel stijgen. Maar waarom zijn V en T constant? De omloopsnelheid (V) is constant, zegt Fisher, omdat mensen een vast bestedingspatroon hebben. Ze geven altijd dezelfde hoeveelheid geld volgens een vast patroon uit, en potten het niet op. T is constant omdat volgens Fisher bedrijven al op hun maximum draaien, en ze hebben geen reden om minder te produceren.

Kritiek van Keynes

Een andere econoom, de Brit John Maynard Keynes (1883-1946), is het met deze kijk op MV=PT oneens. Hij vind dat V en T niet constant zijn, maar variëren. Bedrijven produceren namelijk niet altijd maximaal, bijvoorbeeld door het teruglopen van de conjunctuur. Om dan de machines voluit te laten draaien heeft weinig zin, aangezien niemand toch de producten koopt. T varieert dus in Keynes' ogen. Ook V is niet constant. Mensen houden hun geld soms een tijdje vast uit voorzorg, of om er later wat mee te doen (oppotten). Als de rente laag is, hebben die mensen er weinig aan om iets met het geld te doen, aangezien er niet veel te verdienen valt. De omloopsnelheid (V) stijgt, als de rente ook hoger wordt. Dan wordt het voor mensen namelijk aantrekkelijk om iets met het geld te doen, bijvoorbeeld geld uitlenen of beleggen. Dit is dus in tegenstelling met Fisher, die geld alleen een ruil- en geen oppotfunctie toekent. Keynes zegt dus dat een toename van de geldhoeveelheid niet per se tot inflatie hoeft te leiden, aangezien de omloopsnelheid (V) kan dalen, en het aantal verhandelde goederen (T) kan stijgen.