InfoCash

Artikel

Kunst als nabootsing?

Auteur: HectorServadac | geschreven op 03-09-2010

Is Kunst een vorm van nabootsing van de natuur? Moet alle kunst realistisch zijn? Bij de Griekse filosoof Plato vinden we voor het eerst de theorie dat de kunst tot doel heeft de werkelijkheid na te bootsen. Dat is bij Plato echter aanleiding tot scherpe kritiek op de kunst als zodanig.


Nabootsing van een idee

Mimesis, of nabootsing, komt niet alleen bij de kunstenaar voor. De ambachtsman bij voorbeeld maakt zich eerst een beeld van het bed dat hij maken wil. Vervolgens vervaardigt hij een bed, dat zoveel mogelijk met zijn beeld ervan overeenkomt. Stel dat God een beeld van het bed zou maken, dan zou dat een volmaakt bed zijn. De ambachtsman maakt in zekere zin van dat goddelijke beeld van het volmaakte bed een slechte kopie. Geen bed is immers volmaakt en ook het beeld dat de ambachtsman ervan heeft is niet volmaakt.

Eigenlijk maakt de ambachtsman een kopie van een kopie en daarmee zijn we een stap verder van de werkelijkheid verwijderd. Volgens Plato was eigenlijk alleen het beeld dat God van iets heeft te beschouwen als een zuivere en perfecte vorm. Alles wat we in de ervaring aantreffen is slechts een nabootsing of representatie van die zuivere werkelijkheid.

Maar stel nu dat een kunstenaar vervolgens een schilderij maakt van het bed dat door de kunstenaar gemaakt is? Wat die kunstenaar nastreeft is het maken van een zo volmaakt mogelijke kopie van het bed dat hij ziet. Maar van het beeld dat de ambachtsman ervan had heeft hij dan nog geen benul. Zijn kopie is een tweedehandse kopie van het bed van de ambachtsman. Maar dat was een kopie van het beeld dat de ambachtsman in ge¬dachten had. En dat op zijn beurt was alleen een kopie van het volmaakte bed, dat alleen door God gedacht kon worden. Eigenlijk maakt de kunstenaar dus een kopie van een kopie van een kopie en zijn werk is daarmee drie stadia van de werkelijkheid verwijderd. De eigenlijke werkelijkheid is de zuivere vorm van het bed zoals God het denken kan.
.

Positief idee van de nabootsing

Het is duidelijk dat volgens Plato de kunstenaar alleen maar imiteert, en dat je aan imitaties eigenlijk helemaal niets hebt. Als je een spiegel neemt en die alle kanten opdraait en van elke weerspie­geling een foto neemt, heb je de hele werkelijkheid gekopieerd. Maar aan de werke­lijk­­heid heb je daardoor niets toe­gevoegd. Imiterende kunsten zijn dus inferieur aan de productieve kunsten waardoor wel aan de wereld iets wordt toege­voegd.

De theorie van de nabootsing of mimesis kan natuurlijk makkelijk ook een gunstige versie krijgen. Als je er van uitgaat dat de kunstenaar niet een kopie maakt van het bed dat door de ambachtsman is vervaardigd, maar dat zijn voorbeeld juist het goddelijke idee van het bed is, liggen de zaken anders. Dan wordt de kunstenaar ie­mand die met zijn imitaties juist beter dan de ambachts­man het zuivere idee van een bed of andere realiteiten zicht­baar en toegankelijk maakt. In de Renaissance wordt Plato’s idee van de mimesis geac­cep­teerd maar op po­sitieve wijze begrepen. De schilder Raphael schrijft in een brief aan Castiglione in 1516:

“Om een mooie vrouw te schilderen moet ik veel mooie vrouwen gezien hebben...maar omdat er zo weinig mooie vrouwen zijn en zo weinige betrouwbare mensen die dat kunnen beoordelen, maak ik gebruik van een bepaald idee dat in mijn hoofd opkomt.”

Na dit alles ligt de vraag voor de hand of we hiermee wel recht doen aan de kunst. Ligt het wezenlijke van de kunst wel in de nabootsing van de natuur? Zijn we eigenlijk in staat de natuur “na te bootsen”? “De poging om de rijkdom en complexiteit van de natuur na te bootsen” – schreef Hegel – “lijkt op de poging van een worm om een olifant na te kruipen.”