InfoCash

Artikel

Renaissance en Barok

Auteur: laurens313 | geschreven op 28-08-2010

Hoe zag het leven eruit in de tijd van de Renaissance (1400-1500) en de Barok (1700)?


Schoonheid en de mens centraal

Italië was de bakermat van de nieuwe renaissancekunst en nieuwe inzichten over de mens (humanisme). De Italianen noemden de veertiende eeuw daarom het nuovo-cento (= nieuwe eeuw). De vernieuwing bereikte in de rest van Europa haar hoogtepunt in de zestiende eeuw.

De positie van Noord-Italië in het centrum van de Middellandse Zee was bijzonder gunstig voor de ontwikkeling van de handel. De kruistochten hadden daartoe reeds een belangrijke aanzet gegeven. Noord-Italië werd rijk en machtig door de handel. Daardoor groeiden de steden, zowel in omvang als aan macht. Dat ging ten koste van de macht van de adel: haar grootgrondbezit buiten de steden woog steeds minder op tegen het geldbezit van de nieuwe rijken in de havensteden. Hierdoor verschrompelde de feodaliteit langzaam. Bovendien groeide het – humanistische - besef dat mensen niet wezenlijk van elkaar verschilden, zoals men dat in de antieke oudheid en de middeleeuwen wel meende: een slaaf, lijfeigene of horige was voorheen eerder een voorwerp dat onlosmakelijk bij grond hoorde, eigendom van iemand anders. Nu kon een horige steeds vaker de vrijheid bereiken en een eigen bestaan opbouwen.
De rest van Europa volgde in een hoog tempo, hoewel de macht van kerk en adel pas aan het einde van de achttiende eeuw met de Franse Revolutie daadwerkelijk naar het maatschappelijke en politieke tweede plan begon te verdwijnen. Het Europese streven naar rijkdom kende geen grenzen. De verre handelsreizen en ontdekkingstochten (Columbus ontdekte bijvoorbeeld in 1492 bij toeval Amerika, en Vasco da Gama ondernam in 1498 de eerste grote scheepsreis naar Azië) doorbraken het gezichtsveld van de middeleeuwse mens die tot dan toe slechts grotendeels binnen de grenzen van zijn eigen wereld had geleefd. De beslotenheid die ongeveer tien eeuwen had geduurd, maakte plaats voor een dynamische ondernemingslust.
Er ontstond een ruime aanvoer van nieuwe producten, zoals specerijen en ivoor, thee, koffie, tabak, maïs en aardappelen. Wetenschappelijke nieuwsgierigheid leidde tot belangrijke uitvindingen als de telescoop en de microscoop en tot ontdekkingen van sterrenkundigen als Copernicus en Galileï. De laatste werd overigens nog door de (katholieke) Kerk veroordeeld om zijn 'ketterse' wetenschappelijke inzichten: het idee dat de aarde om de zon bewoog was strijdig met de inhoud van de bijbel.
Door de uitvinding van de boekdrukkunst (Gutenberg,1450) raakte de Kerk het alleenrecht kwijt om haar ideeën onder de bevolking te verspreiden. Door de grotere oplage en dus de lagere prijs kon de gegoede burgerij boeken aanschaffen en lezen.

Renaissance en humanisme

Renaissance en humanisme zijn twee namen die betrekking hebben op een verandering in cultuur en mentaliteit. Beide grijpen terug op de klassieke Oudheid: op de beelden en bouwwerken die in Italië nog voorhanden waren en op de geschriften van de klassieke schrijvers, die gedurende de middeleeuwen in de kloosters bewaard waren gebleven. Men probeerde om de Griekse en de Romeinse cultuur opnieuw tot leven te brengen (renaissance is Frans voor ‘wedergeboorte’). Dat leidde tot een wedergeboorte van de klassieke cultuur en tevens tot de geboorte van de moderne mens: de humanist, een mens die optimistisch op zoek ging naar zijn eigen waarden, gestimuleerd door de ideeën van de klassieke filosofen.

Een sterk individu (de zakenman, de wetenschapper, de kunstenaar) voelde zich niet langer ondergeschikt aan de gemeenschap waarin hij leefde, maar beschouwde zichzelf als een individu met eigen mogelijkheden. Vreugde en geluk, vond men, waren niet alleen meer te vinden in het geloof en in het hiernamaals, maar ook in de wereld waarin je nu leefde, een wereld die vele mogelijkheden tot ontplooiing bood. Men benadrukte de bijbelse notie dat de mens geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis. De talenten die de mens had gekregen, moest hij volop gebruiken. Een humanist was een actief levend mens, die intensief met cultuur bezig was. Een humanist las veel, hield zich druk bezig met wetenschap en steunde de kunst. En een humanist was een christen die kritisch met zijn geloof omging. Zo ontstond het beeld van de ideale mens, de uomo universale, die van alle markten thuis was. De beroemdste Nederlandse humanist-filosoof was Desiderius Erasmus, die de vader van de West-Europese beschaving wordt genoemd, omdat zijn ideeën grote weerklank vonden.

Godsdiensttwisten

In de Renaissance bleef het christelijke geloof sterk aanwezig en bepaalde een groot deel van het leven. Er waren twee belangrijke verschillen met de middeleeuwen. Niet langer stond God in het middelpunt, maar de mens zelf. Het theocentrisch wereldbeeld van de middeleeuwer maakt plaats voor de antropocentrische levenshouding van de renaissance-mens. Het middeleeuwse godsdienstige thema van het memento mori (denk eraan dat je zult sterven) werd vervangen door het optimistische carpe diem (pluk de dag).

Pausen leefden in de late middeleeuwen als koningen in grote paleizen, gingen op jacht en hielden grote feesten. Ze bemoeiden zich met politiek en voerden soms oorlog, waarbij ze zelf hun legers aanvoerden. Ook kardinalen en bisschoppen leidden een werelds leven vol pracht en praal. In de katholieke kerk kwam alle macht van boven: paus, kardinaal, bisschop, priester. De gelovigen zelf hadden niets in te brengen. Op de leiders van de Kerk ontstond in de renaissance steeds meer kritiek. Er gingen stemmen op om allerlei kerkelijke regelingen bij te stellen. De eerste belangrijke geestelijke die hervormingen eiste, was de Duitse monnik Maarten Luther. In 1517 protesteerde hij met name tegen het pausschap, de heiligenverering, de regels voor priesters en kloosterlingen en de aflaathandel. Hij deed dat met de bijbel als bewijs in de hand en voerde actie voor een sober en zuinig leven en voor meer inbreng van de gelovigen in de kerkgemeenschap. Vooral het idee dat mensen de bijbel zelf mochten bestuderen en uitleggen, sprak in de renaissance veel mensen aan en Luther kreeg snel vele aanhangers.

Hij pleitte ook voor een scheiding tussen de politieke macht van de kerk en de staat, wat de adel wel beviel, maar de Kerk natuurlijk niet. Daardoor vormden zijn protesten de aanleiding tot een hevige politieke strijd. Na Luther kwamen er meer hervormers, zoals de Fransman Johannes Calvijn in 1536, die nog strenger in de leer was dan Luther. Maar een klein deel van de mensheid is volgens de calvnistische leer voorbestemd om in de hemel te komen. Mensen moesten streng en sober leven; voor plezier was weinig plaats. De kerkorganisatie was heel democratisch: de gelovigen hadden het zelf voor het zeggen. Ze organiseerden zich in gemeentes die hun eigen leiding kozen. Deze predikanten mochten in tegenstelling tot katholieke priesters wél trouwen.

De renaissance is een periode geweest van geloofshervormingen, geloofsvervolgingen en godsdiensttwisten tussen katholieken en protestanten (verzamelnaam voor aanhangers van Luther, Calvijn en andere hervormers). Het was de tijd van de protestantse Reformatie en de katholieke Contrareformatie. Al vanaf 1522 vonden in Duitsland volksopstanden plaats tegen de katholieke overheersers in de vorm van beeldenstormen, waarin het volk heiligenbeelden, schilderijen en altaren vernielde in kerken en kloosters. Die beeldenstormen vonden hun hoogtepunt in de Nederlanden in 1566. Er was toen niet langer meer sprake van een uit de hand gelopen godsdiensttwist, maar er ontwikkelde zich een enorme volksopstand tegen het wrede optreden van de Spaanse, katholieke heersers. Woedende protestanten bestormden honderden kerken en kloosters en sloegen daar alles kort en klein. Vooral de katholieke Inquisitie (rechtspraak) heeft veel slachtoffers geëist. De inquisitie strafte zelf niet, maar droeg de veroordeelden over aan de wereldlijke macht. Vaak werd met lijfstraffen geprobeerd ketters te bekeren tot het katholieke geloof. En als dat niet hielp, was er de brandstapel. De landvoogd Alva liet bijvoorbeeld elfhonderd mensen terechtstellen door een speciale rechtbank: de Raad der Beroerten, bijgenaamd de Bloedraad.

Barok (zeventiende eeuw)

In de zeventiende eeuw wilden veel heersers hun macht illustreren met uiterlijk vertoon: de Barok. (Barocco is de Portugese naam voor een grillig gevormde parel.) De Barok was een feestelijke en uitbundige stijl, herkenbaar aan weelderige groeivormen en krullen. Daardoor ontstond vaak een neiging tot overdaad die een tegenstelling vormde met het eerdere renaissance-ideaal van evenwicht. Het zwierige karakter sloot goed aan bij de behaagzucht van de vorsten.

Bovendien was de barok dé stijl van de katholieken die op de hervormingen van de protestanten reageerden: het katholieke geloof moest zijn comeback maken met nieuwe pracht en praal.

De Barok had zich vanuit Italië ontwikkeld als een reactie op de idealistische schoonheidsidealen van de renaissance. De eerste barokkunstenaars vonden dat de wereld niet uitsluitend bevolkt werd door mooie, goed gevormde mensen. Hun werk was erg realistisch. Er was grote aandacht voor het levensecht uitbeelden van mensen.