InfoCash

Artikel

Vaccinaties.

Auteur: pompstra82 | geschreven op 09-05-2010

De grootste winst die de geneeskunde in de laatste honderd jaar heeft geboekt, is zonder twijfel de bestrijding van infectieziekten. We kunnen ons er vandaag de dag bijna geen voorstelling meer van maken wat een enorme rol, vooral onder kinderen, vroeger door infecties werd geëist. In dit artikel gaan we de infecties behandelen.


Tuberculose (BCG).

Ofschoon het risico in Nederland tuberculose te krijgen voor kinderen laag is, geldt dit voor de landen van herkomst van Turkse en Marrokaanse kinderen zeker niet. Om hen tegen tuberculose te vaccineren is ervoor gekozen aan deze groep het zogenoemde BCG-vaccin toe te dienen. Dit gebeurt op de consultatiebureaus voor tuberculosebestrijdding die in alle grote plaatsen te vinden zijn. De vaccinatie wordt op de linkerbovenarm gegeven en laat een klein rond littekentje na. In Marokko zelf worden kinderen ook wel eens op andere plaatsen gevaccineerd. Bij complicaties van deze vaccinatie moeten ouders zich wenden tot het consultatiebureau waar de vaccinatie is gegeven. Soms moeten er speciale medicijnen worden gegeven om een te heftige reactie te onderdrukken. Men verondersteld dat deze vaccinatie gedurende tien tot vijftien jaar bescherming geeft tegen die vormen van tuberculose met een zeer ernstig beloop ( tuberculeuze meningitis en een toestand die vroeger als vliegende tering erg gevreesd was). Wanneer een kind in aanmerking komt voor een BCG-vaccinatie ontvangen de ouders daarvoor een oproep van de GGD.

Hersenvliesontsteking.

Berucht en gevreesd is deze infectie die op elke leeftijd kan optreden. Er zijn twee soorten hersenvliesontsteking. De ene wordt veroorzaakt door virussen , de andere door bacteriën. De laatste is het gevaarlijkst. Wanneer over nekkramp wordt gesproken bedoelt met de bacteriële vorm. Bacteriën die deze ziekte kunnen veroorzaken zijn de pneumococ meningococ en de haemophilus influenzae type B. Tegen deze laatste vorm worden kinderen gevaccineerd middels de HIB-vaccinatie. Meningitis kan een heel snel beloop hebben. We komen wel kinderen tegen die \\\\\\'s morgens nog gewoon naar school gingen en \\\\\\'s avonds doodziek worden opgenomen in het ziekenhuis. De verschijnselen zijn hoofdpijn, misselijkheid, braken en oplopende koorts. Daarbij maken de kinderen vooral een héél zieke indruk! Alle intresse in de omgeving is weg. Het bewustzijn kan verminderen met sufheid of er is verwardheid. Stuipen en coma zijn betrekkelijk laat optredende zaken. Nekstijfheid komt bij zuigelingen weinig voor. Het beoordelen van nekstijfheid is iets voor artsen. Probeer dit niet als ouder uit te zoeken ter vaervanging van de dokter. Bij vermoeden van de diagnose wordt een ruggeprik gedaan. Door laberatoriumonderzoek komen we er al snael achter of het vermoeden juist is. Antibiotische behandeling wordt dan ogenblikkelijk begonnen. Ondanks dit krijgt ongeveer 10% een blijvende complicatie in de vorm van doofheid, epelepsie of leerproblemen. Als in een klas een kind hersenvliesontsteking heeft, veroorzaakt dat altijd angst bij de ouders van de andere kinderen. Epedemieën komen gelukkig zelden voor en dan nog alleen van de meningococ. Tenzij de GG en GD anders beslist, zijn er geen preventieve maatregelen voor klas- of buurtgenoten nodig. Uitsluitende bij gezinsleden bestaat bij meningococcen-meningitis een verhoogde besmettingskans. Daarom ontvangen zij gedurende twee dagen uit voorzorg een antibioticum.

HIB en DKTP.

Op de leeftijd van twee, drie, vier en elf maanden krijgen zuigelingen twee vaccinaties: tegen respectievelijk difterie, kinkhoest, tetanus, en polio (DKTP) en haemophilus influenzatype B (HIB). We gaan bij te vroeg geboren kinderen uit van de geboortedatum en niet van de uitgerekende datum. Ook bij te vroeg geboren baby\\'s wordt na vaccinatie eenzelfde mate van bescherming opgebouwd als bij voldragen kinderen. Hierna worden kinderen met DTP gevaccineerd in hun vierde en negende jaar.

BMR.

Bij veertien maanden wordt gevaccineerd tegen bof , mazelen en rodehond (BMR). Herhaling vindt plaats in het negende jaar. Aangezien het hier om verzwakt levend virus gaat is er de eerste dagen een soort incubatietijd en krijgen de kinderen op ongeveer de zevende dag te maken met koorts en soms enige vlekjes. Er zijn ook kindren die vrijwel niets merken. Het succes van de vaccinatie is hiervan niet afhankelijk. Dat zo\\'n relatief lange tijd (14 maanden) wordt gewacht alvorens te vaccineren tegen bof, mazelen en rodehond heeft er mee te maken, dat er anders nog moederlijke antistoffen aanwezig zijn die de vaccinatie onwerkzaam maken. Wanneer kinderen een ernstige kippeneiwitallergie hebben wordt geadviserrd de vaccinatie onder zorgvuldige controle in het ziekenhuis te laten plaatsvinden. Mazelen- en bofvirussen worden namelijk op kippenembryocellen gekweekt en ofschoon een sterke zuivering van het materiaal heeft polaatsgevonden, kan bij sterk allergische kinderen nog een reactie worden verwacht. Wanneer andere voedselallergieën bestaan is die voorzorg overbodig. Er wordt meestal gevaccineerd in de bovenbeentjes. Het is belangrijk dat de entstof ook inderdaad diep in de spier terechtkomt, omdat wanneer het in het onderhuidse vetweefsel belandt een harde schijf ontstaat, met langdurige pijn en roodheid. Het is de vraag of het na de vaccinatie opleggen van een koud washandje veel effect heeft. In iedergeval moet geen ijs op de vaccinatieplek worden gelegd. Zuigelingen krijgen vrij vaak koorts, die meestal binnen 24 uur weer is verdwenen. Het beentje is in het beginwat pijnlijk, maar nooit in hevige mate. Contra-indicaties voor het geven van vaccinaties zijn acute ernstige infectieziekten of wanneer het kind in de incubatietijd zit van zo\\'n infectie. Ook kinderen die met medicijnen worden behandeld die invloed hebben op het immuunsysteem, krijgen dan geen vaccinatie. Kinderen die een beetje verkouden zijn of een geringe temperatuursverhoging hebben (tot 38,5) kunnen gewoon worden gevaccineerd. Een speciaal probleem vormt het wel of niet geven van de K (kinkhoest) in de DKTP-vaccinatie bij kinderen met doorgemaakte epileptische aanvallen. Dit moet per geval worden bekeken. De laatste tijd wordt er meer en meer de voorkeur aan gegeven deze kinderen wel te vaccineren tegen kinkhoest. Zijn de kinderen de eerste drie keer normaal gevaccineerd dan volgt na een halfjaar opnieuw een zelfde tweetal vaccinaties. Bij onvolledige enting volgt een ander schema. Het vaccinatieschema ziet er nu als volgt uit:
2, 3, 4 en 11 maanden: DKTP en HIB
14 maanden: BMR
4 jaar DTP
9 jaar BMR en DTP

Griepprik.

Op indicatie krijgt een aantal kinderen een zogenoemde griepprik. Het betreft kinderen voor wie het doormaken van een griepperiode risic\\'s inhoudt: kinderen met chronische luchtwegafwijkingen, zoals matig tot ernstig astma, kinderen met hart- en vaatziekten, kinderen met diabetus mellitus en kinderen met chronische nierziekten. De indicaties zijn bij de huisarts bekend. Over het algemeen krijgen de ouders dan ook van de huisarts een oproep om hun kind tegen griep te laten vaccineren.

Hepatitis B.

De laatste vaccinatie die we nu nog zullen noemen is die tegen hepatitis B. Hepatitis of geelzucht wordt door meerdere virussen veroorzaakt, waarbij hepatitis A en B de bekendste zijn. De vorm die ook op scholen voorkomt (hepatitis A) kennen veel ouders wel. Meerdere kinderen in een klas kunnen er dan door besmet raken. De andere vorm is hepatitis B. Deze wordt ook wel serumhepatitis genoemd, omdat de overdracht via bloed verloopt. Wanneer zwangeren drager zijn van het virus, kunnen ze dat overbrengen op de pasgeboren baby. Er vinden daarom twee soorten vaccinaties plaats. Een passieve, direct na de geboorte, waarbij antistoffen aan de pasgeboren baby worden gegeven door een injectie in het beentje, en een actievven immunisatie door gelijktijdig met de DKTP- en HIB- toediening ook tegen hepatitis B te vaccineren. Dit gebeurt dus bij twee, drie. vier en elf maanden. Sind kort wordt ook geadviseerd kinderen met het syndroom van Down tegen hepatitis B te vaccineren. Met de vaccinatie kan ook op latere leeftijd worden begonnen. Het toedienen van antistoffen om een bescherming te geven tegen ziekte wordt passieve immunisatie genoemd. Er zijn meerdere situaties waarin mensen uit voorzorg met een passieve immunisatie worden behandeld. Een tetanusprik na een verwonding is hiervan een voorbeeld. Vanwege de vaccinatie-status is dit echter juist bij kinderen vrijwel niet nodig, terwijl bij volwassenen zo\\'n prik vaak wel gegeven moet worden.