InfoCash

Artikel

Ontwikkeling van het kind in het eerste jaar.

Auteur: pompstra82 | geschreven op 18-05-2010

In dit artikel gaan we het hebben over de ontwikkeling van het kind vanaf de geboorte tot het eerste jaar. Iedere indeling heeft het nadeel dat het lijkt alsof er stappen worden gemaakt in van elkaar losstaande functies. In werkelijkheid zijn het vloeiende overgangen, waarbij ook uit de ene verworvenheid de volgende weer ontstaat. Er is sprake van een continu leren, door nabootsingen en door na vele mislukkingen ineens een succes te boeken. Behalve de stimulatie die kinderen van hun ouders en broertjes of zusjes ontvangen, is er ook in hen een aangeboren drang om vooruit te komen.


Moteriek.

Het is een enorme ontwikkeling die baby\\\\\\'s het eerste jaar doormaken. Vanuit de sluimertoestand na de geboorte tot een loslopend mensje dat al wat brabbelt en met zijn speelgoed kan gooien. In onderstaand schema staan de motorische vaardigheden van het eerste jaar.
4 weken.
Houdt het hoofdje gedurende enkele momenten in balans. Op de buik liggend wordt af en toe het hoofd van de onderlaag opgetild. Al liggend aan de armpjes opgetrokken, hangt het hoofd nog naar achteren.
8 weken.
Houdt het hoofd langer in balans, maar het wankelt nog regelmatig. Op de buik gelegen wordt het hoofdje onder een hoek van 75 graden gehouden. Aan de armpjes opgetrokken, wordt het hoofdje meer meegenomen.
16 weken.
Houdt het hoofd in balans. Op de buik liggend hoofdje onder een hoek van 90 graden. Neemt bij optrekken tot zit hoofdje goed mee. Kijkt nu ook de kant uit waar geluid vandaan komt. Speelt met de handjes. Houdt nu een rammelaar enige tijd vast. Grijpt naar voorwerpen, maar mist nog vaak.
20 weken.
Nu is er een volledige hoofdbalans. Grijpt doelbewust naar voorwerpen.
24 weken.
Steunt op de handjes met gestrekte armpjes. Borst of buik af en toe los van de onderlaag. Pakt voetjes vast. Kan van buikligging naar rugligging omrollen. Staat met steun.
28 weken .
Blijft kortdurend zitten met armpjes naar voren als steun. Grijpt met één hand naar voren, in plaats van met twee.
36 weken.
Zit enige minuten stabiel, zonder steun. Beweegt bij poging tot kruipen, naar achteren. Kan kleine voorwerpen oppakken. Hierbij wordt nog pincetgreep gebruikt, maar worden dingen met de hand opgepakt.
40 weken.
Trekt zich op tot staan. Kan zelf gaan zitten. Kan langere tijd zelf blijven zitten met gestrekte beentjes.
48 weken.
Loopt met steun, loopt langs de tafel, box enzovoort. Bij 16 maanden kunnen de meeste kinderen los lopen.

Op het consultatiebureau wordt gewerkt met het zogenoemde Wiechenschema. De hierboven genoemde motorische vaardigheden worden daar bekeken, of er wordt aan de moeder gevraagd of het kind deze vaardigheden al beheerst. Een bepaalde vaardigheid wordt door negentig procent van de kinderen beheerst.

De geestelijke ontwikkeling begint voor ons herkenbaar te worden aan de mimiek die in de eerste weken bij de baby is te zien. Wanneer je in het gezichtsveld komt, blijft de aandacht eerst maar kort gevangen, maar langzamerhand neemt de aandacht toe. Ineens komt er een lachje. Een heel mooi moment is dat. Eerst kon je er nog over twijfelen of dit het nu was, maar een paar dagen later is er een onmiskenbare reactie. In ieder geval moet dit voor de achtste week gelukt zijn. Ze reageren ook op speelgoedjes of op bewegende spulletjes die boven ze hangen. Bij ongeveer acht weken volgen de meeste kinderen personen en voorwerpjes die ze voor zich zien. Het volgen gaat nu steeds beter en bij zo'n drie maanden kijken ze van links naar rechts. Nu is ook het moment dat ze heel lang naar hun handjes kunnen liggen kijken. Ze zijn nu al aardig op de omgeving gericht en kunnen allerlei geluidjes maken als de moeder tegen ze praat. Tussen de vierde en de zesde maand gaat de baby steeds doelgerichtere bewegingen maken, om daarjmee een reactie uit te lokken. Bijvoorbeeld door tegen een speeltje te slaan, ziet het dat het heen en weer gaat bewegen. Er ontstaat een minimaal inzicht in oorzaak en gevolg. Naarmate de baby ouder wordt gaat hij het inzicht krijgen dat dingen er wel en niet kunnen zijn. Vóór die tijd gold het principe weg is weg. Bij zo'n tien maanden gaat het kind op zoek naar een speelgoedje dat het onder een handdoek heeft zien verstoppen. Langzaam komt het izicht dat dingen niet ophoden te bestaan als ze uit het zicht zijn verdwenen. Dit geldt als een belangrijke mijlpaal in de ontwikkeling. Het wordt objectpermanentie genoemd. Anderzijds is het zo dat kinderen na een half jaar kunnen gaan huilen als ze hun moeder zien verdwijnen. Voor die tijd maakte dit hen nog niet veel uit. Bij ruim tien maanden doen ze eenvoudig imitatie spelletjes zoals in de handjes klappen of zwaaien. De brabbelwoordjes zijn bij een jaar meestal nog niet erg herkenbaar. Ook gaan ze nu in hun spel wat meer brabbelen, met woordjes als ba, da ma, mum, mum. Vanaf nu gaat de taalontwikkeling in een snel tempo vooruit. Door in plaatjesboeken steeds de dingen te benoemen leert het kind hoe er een constante relatie is tussen woord en beeld. In het nazeggen ondervindt het de steun van zijn ouders.

Rond tien maanden kunnen en weer eet- en slaapproblemen ontstaan, die eerder waren verdwenen. Dit is een normale ontwikkeling en betekent juist geen terugval van verworven vaardigheden. Het kind probeert in een aantal functies naar een zekere mate van zelfstandigheid te streven. Wanneer ouders hierbij niet te star vasthouden aan hun eigen regels, verloopt deze periode soepel, terwijl er anders strijd rond bijvoorbeeld het eten gaat ontstaan. Kinderen kunnen meestal aan het eind van het eerste jaar zelf dobbelsteentjes brood eten en uit een tuitbeker drinken. Ze willen dan ook niet meer met een lepel gevoerd worden en draaien demonstratief hun hoofd weg.