InfoCash

Artikel

Erfelijke invloeden.

Auteur: pompstra82 | geschreven op 23-05-2010

Erfelijkheid betekent dat je bepaalde eigenschappen door kunt geven aan je kinderen. En wat heeft DNA eigenlijk met erfelijkheid te maken? Dit artikel zal hier wat meer duidelijkheid over geven.


Wat is DNA?

DNA is de afkorting van desoxyribonucleïnezuur. Dit moet je je voorstellen als een onafgebroken rij van aaneengeschakelde moleculen, die al onze erfelijke eigenschappen bevatten. De 46 chromosomen die in 23 paar voorkomen, zien eruit als staafjes en bestaan grotendeels uit DNA. Hierop zitten de genen of erfelijke eigenschappen in een bepaalde volgorde. En die structuren bepalen hoe iemand een uniek mens zal worden. Elk gen bepaald overigens een specifieke erfelijke factor, zoals de haarkleur of de kleur van je ogen.

Is een aangeboren aandoening altijd erfelijk?

Nee dat hoeft niet. Er zijn ook aandoeningen die niets met erfelijkheid te maken hebben, maar door omgevingsfactoren worden veroorzaakt. Als je tijdens de zwangerschap een bepaalde infectie doormaakt, giftige stoffen hebt binnengekregen of aan straling bent blootgesteld, kan je baby ook met een aandoening worden geboren zonder dat er erfelijkheid in het spel is. Een bekend voorbeeld is de oogafwijking die een baby kan krijgen als de moeder tijdens de zwangerschap rodehond heeft gehad. Dit probleem komt tegenwoordig nauwelijks meer voor, omdat (bijna) alle kleine kinderen worden ingeënt tegen de rodehond via de BMR-inenting (Bof, Mazelen en Rodehond). Er zijn ook aandoeningen waarop zowel erfelijke factoren als omgevingsfactoren van invloed zijn. Samen bepalen ze dan of de aandoening tot uiting komt of niet.Een voorbeeld hiervan is soina bifida (open rug). Als je hierop een verhoogd risico hebt, krijg je een grote dosis foliumzuur voorgeschreven. Dit heeft een beschermende werking, waardoor soms wordt voorkomen dat je baby ook werkelijk met een open rug ter wereld komt.

Wat is erfelijkheid eigenlijk?

Ons lichaam bestaat uit kleine cellen, die allemaal dezelfde erfelijke eigenschappen bevatten. Die erfelijke eigenschappen worden ook wel 'genen'genoemd. Die genen bepalen onder andere hoe je eruitziet en welke karakterkenmerken je hebt. Ook ziekten komen in je genen voor. Om een beetje structuur in al die erfelijke eigenschappen te krijgen, zijn de genen allemaal gerangschikt op chromosomen. Iedere cel bevat 46 chromosomen, verdeeld in 23 paren.

Erfelijke aandoening bij een baby.

Er zijn verschillende oorzaken voor het ontstaan van een erfelijke aandoening bij een baby. Soms ontstaat een erfelijke aandoening door een spontane verandering tijdens de celdeling. Maar een aandoening die je zelf hebt, kun je soms ook aan je kind doorgeven. Het kan ook zijn dat je zelf de ziekte niet hebt, maar dat je wel 'drager' bent van de aandoening. Iedereen heeft een combinatie met twee erfelijke kenmerken bij zich voor alle eigenschappen. Dat kan een combinatie van twee dominaante eigenschappen zijn (AA), bijvoorbeeld krullend haar en krullend haar. Maar het kan ook een combinatie zijn van een dominante eigenschap en een 'recessieve'(Aa), bijvoorbeeld krullend haar en steil haar. In de beide gevallen zul je krullend haar hebben omdat de dominante eigenschap overwint. Krijg je een baby en je hebt (AA), dan zal je kind krullend haar krijgen. Heb je (Aa) dan kan het zijn dat je baby krullen krijgt, maar het kan ook zijn dat je het recessieve kenmerk a doorgeeft, dus steil haar. Krijgt de baby nu van beide kanten steil haar door, dan wordt zijn haar ook steil. Maar krijgt hij via zijn vader de dominante factor krullen door, dan wordt het haar toch krullend.

Bij het doorgeven vban aandoeningen gaat het net zo. Hebn je zelf een aandoening met (BB), dan is hij altijd dominant en geef je hem zeker door aan je kind. Heb je een aandoening met de combinatie Bb, dan kun je de ziekte doorgeven via de dominante factor (B). Maar als je de andere factor (b) doorgeeft, dan geef je de ziekte niet door. Als je partner dit ook niet doet, krijgt je kind de aandoenjng niet. Geeft je partner de aandoening wel dominant door, dan heeft je kind de combinatie (Bb) en wordt wel ziek. Er zijn ook ziekten die niet dominant worden doorgegeven maar alleen recessief. Dit wordt met een kleine letter aangegeven, bijvoorbeeld c. Dat betekent dat je de ziekte alleen kunt krijgen als je van beide ouders de ziekte doorkrijgt. In dat geval heb je als kind (cc). Geeft één van de ouders de dominante factor (C) (niet ziek) door, dan rijgt het kind de aandoening niet, maar wordt wel drager (Cc). Doordat het om een recessieve combinatie gaat, is deze aandoening zeldzaam. De ouders zouden namelijk allebei toevallig drager moeten zijn. Een voorbeeld van zo'n aandoening is cystic fibrosis of taaislijmziekte.