InfoCash

Artikel

Het Stockholmsyndroom

Auteur: HectorServadac | geschreven op 10-07-2010

We overleven door ons te schikken. Ook wanneer we slachtoffer zijn van geweld. Slachtoffers van een overval of gegijzelden die doodsangsten hebben uitgestaan, komen er soms toe om hun aanvallers met sympathie te bejegenen. Hoe komt dat?


Je schikken in je angsten


Het Stockholmsyndroom is het psychologisch verschijnsel dat soms optreedt tijdens een gijzeling. De gegijzelde krijgt sympathie voor de gijzelnemer en identificeert zich met hem.

In Stockholm werden tussen 23 en 28 augustus 1973 mensen gegijzeld door overvallers van de Kreditbank. Daar komt de naam dan ook vandaan. Zelfs dagen na de gijzeling namen de gegijzelden het nog op voor hun overvallers. Tijdens de verhoren bij voorbeeld waren ze zeer terughoudend in het vermelden van negatieve zaken. De psycholoog Nils Bejerot gaf toen de naam Stockholm-syndroom aan dit verschijnsel.

Wanneer iemand absolute controle uitoefent over een ander, en deze dus volledig afhankelijk is van zijn gijzelnemers, kan dit verschijnsel zich voordoen. De gegijzelde is immers volledig aan de beschikking van anderen uitgeleverd. Alle primaire behoeften worden door een ander voorzien. En die afhankelijkheid schept een houding waarin iemand niet meer kritisch kan nadenken. Voor buitenstaanders ziet dat er erg vreemd uit, omdat het duidelijk lijkt dat iemand een slachtoffer is van een nmisdrijf. Uiteindelijk is het door de acties van de gijzelnemers dat iemand in die situatie terecht komt.

In twee populaire films wordt het Stockholmsyndroom Helsinkisyndroom genoemd.

Slachtoffers van het Syndroom


Patricia Hearst was een ander voorbeeld van dit syndroom. In 1974 nam zij zelfs deel aan een overval op een bank samen met haar gijzelaars. Op dat moment erkende de rechtbank in Amerika dit verschijnsel echter niet. Bij haar proces werd er dus geen rekening mee gehouden. Het beroep op ontoerekeningsvatbaarheid werd dus niet gehonoreerd.

Iets soortgelijks overkwam Natascha Kampusch. Zij werd tussen haar 10e en 18e opgesloten door de Weense werkloze Wolfgang Priklopil. Vrijwel direct na haar vrijlating citeerden verschillende media politiepsychologen die stelden dat het meisje aan het Stockholmsyndroom leed, onder andere omdat ze aangaf dat al haar seksuele contacten met de ontvoerder vrijwillig waren geweest.

Deze poging om haar ontvoerder te beschermen werd uitgelegd als een onderdeel van het Stockholmsyndroom. Ook gaf zij in verhoren aan dat hoewel zij haar ontvoerder "meester" moest noemen, hij aardig voor haar was geweest. Toen later haar ontvoerder zelfmoord pleegde door zich voor een trein te werpen, barstte ze in snikken uit.

Stockholm-syndroom bij incestslachtoffers


Een verwant verschijnsel aan het Stockholmsyndroom is het gegeven dat slachtoffers van meermalige incest het misdrijf rationaliseren waar ze slachtoffer van zijn geworden. Ze zijn in staat de dader te verzorgen, soms zelfs langdurig, hoewel ze heel goed beseffen wat er gebeurd is. De verklaring die daaraan wwordt gegeven is deze: omdat ze zich niet goed kunnen voorstellen hoe het is om te leven zonder machtsmisbruik, schikken ze zich erin. Hun agressie over het gebeurde richt zich soms zelfs op het gezinslid dat de stilte doorbreekt en het verhaal van de gepleegde misdaad in de openbaarheid brengt.