InfoCash

Artikel

Grond en afgrond in de filosofie

Auteur: HectorServadac | geschreven op 19-08-2010

De grond is dat waarop je staat. Zonder grond onder de voeten zouden we eeuwig vallen. Het woord betekent zoveel als de laagste plek. Wat daar onder ligt is bedreigend. Dat is nog lager dan de laagste plek? Dat is de afgrond. Wie in de afgrond belandt, legt het loodje. Het is een negatief woord voor alles waar je kunt vallen en ten onder gaat. Maar wat betekent het nu in de filosofie? Vooral in de mystiek kreeg het woord een verrassende positieve betekenis.


Het woord afgrond

Letterlijk is de afgrond, dat wat af- of wegtrekt van de grond, dat wil zeggen de aarde. Het is de onderste diepte waar niets meer in kan staan en alles in verdwijnt. Het is dus ook niet te doorgronden en onttrekt zich aan ons begrip. Het woord wordt ook vaak gebruikt om het Griekse woord chaos te vertalen en kan ook slaan op de middeleeuwse voorstelling van de hel.

Afgrond in de tweede eeuw

In de tweede eeuw spreken de zogenaamde gnostici heel vaak over de afgrond. Maar dan bedoelen ze iets heel positiefs. De afgrond is de oervader en de oergrond, dat wil zeggen de onbegrijpelijke God die achter alle dingen schuilgaat. Vanuit deze afgrond wordt de werkelijke God openbaar, en die heet dan "vader en begin".

Afgrond in de mystiek

In de mystiek wordt het woord afgrond op een paradoxale manier gebruikt. Zo zegt de beroemde Meister Eckhart dat het hoogste aspect de zogenaamde "eeuwige afgrond van het goddelijke wezen" is, de zogenaamde "grondeloze grond." Anderen maken juist meer verschil tussen de Afgrond die alleen maar een "eeuwig niets" is - vreemd genoeg iets positiefs dus - en de afgrond die gelijk staat aan de wereld van het kwade, van angst of van de hel het woord afgrond krijgt dan een specifieke negatieve betekenis en alles wat ons menselijk leven bedreigd kan dan met het woord worden samengevat: vertwijfeling, vijandschap, het kwade en de leugen behoren allemaal tot de wereld van de afgrond.

Dat taalgebruik dringt dan ook door in de Reformatie wanneer Maarten Luther over God spreekt als over "een afgrond van eeuwige liefde." En spreekt ook wel eens van God als de " vader van afgrondelijke barmhartigheid." De bedoeling is dan vooral te zeggen dat deze barmhartigheid en liefde eigenlijk onbegrijpelijk diep zijn je kunt dus zeggen dat het woord afgrond inmiddels een geestelijke betekenis heeft gekregen.

Afgrond in de moderne tijd

Het woord afgrond na de Reformatie en de Renaissance krijgt nu betekenissen die niet langer in het christelijk geloof en theologie ontwikkeld zijn. Een fraai voorbeeld is te vinden bij Blaise Pascal die een leer ontwikkelde van twee verschillende afgronden. Aan de ene kant staat de afgrond van de oneindigheid en aan de andere kant de afgrond van het niets. De mens ervaart zichzelf als zwevend tussen deze beide afgronden. "Het menselijk bestaan speelt zich af op enige afstand van het niets waaruit het is voortgekomen, en op enige afstand van het oneindige waarin het wordt verzwolgen." De mens is dus midden tussen het niets en de oneindigheid geplaatst. Het woord Oneindigheid betekent hier dus ook iets negatiefs, het is de totaliteit waarin hij kan opgaan en verloren raken.

Vanaf de 18e eeuw gaat het woord afgrond zoiets betekenen als irrationaliteit. Zo zal de rationalist Christian Wolff kunnen zeggen "dat in elk schepsel, zo klein als ze maar is, een echte afgrond van de goddelijke kennis verborgen ligt." Daarmee wilde hij zeggen dat de menselijke kennis principieel beperkt is omdat de kern ervan niet redelijk is.

Ook de menselijke ziel kan als een afgrond van donkere krachten worden gezien. De historicus en dichter Herder zegt dan ook in 1778 dat de ziel een afgrond is van donkere krachten :"Voor de afgrond van duistere gewaarwordingen, krachten en prikkels heeft onze heldere en duidelijke filosofie de grootste angst."

Zo wordt in de tijd van de Verlichting en daarna het woord afgrond vooral gebruikt voor alles wat de rationele zelfverzekerdheid en het optimisme van de tijd in gevaar brengt. Daarom spreekt men over de afgrond van de natuur, van de kosmos, van het hart, en van het kwade. Immanuel Kant ziet de waarachtige afgrond vooral in het idee van de absolute noodzakelijkheid die strijdig is met ons moreel besef en de vrijheid over die absolute noodzakelijkheid, de manier waarop de oorzaken in deze wereld alles tot stand brengen, hebben wij geen beschikking.