InfoCash

Artikel

De alternatieven van het leven Psalm 1

Auteur: HectorServadac | geschreven op 19-08-2010

Het Oude Testament staat vol gedichten en liederen. Al in een van de oudste teksten van de bijbel vinden we het Lied van Mozes, in Ex. 15. Onze waardering voor het poëtische gehalte ervan wordt nogal bemoeilijkt door het religieuze gebruik van deze teksten. Natuurlijk zijn het vaak religieuze gedichten en liederen maar toch: we moeten er naar leren kijken als of het literaire werken zijn.


De psalmen

De psalmen in het Oude Testament zijn verdeeld over vijf verschillende boeken. Dat is niet toevallig want er zijn ook vijf boeken in de thora van Mozes. Een deel van de inhoud van de psalmen is verbonden met de geschiedenis van Israël, vooral met de tijd van de laatste koningen van Juda. Ze zijn verzameld en voor een deel geschreven in de tijd van de Babylonische Ballingschap. In het jaar 597 wordt Jeruzalem veroverd en negen jaar later wordt de stad vernield. Dan begint een halve eeuw Babylonische Ballingschap. De ballingen kijken terug naar de tijd van grote koningen David en Salomo, en kijken vooruit naar de tijd van het herstel waarin het volk zal terugkeren naar het heilige land.

De eerste psalm

De eerste psalm is een aardige introductie op de hele collectie van psalmen en het onderwerp is het verschil tussen twee manieren van leven verbonden met twee verschillende karakters. Dat verschil tussen die twee wegen wordt in de volgende psalm behandeld op het niveau van het nationale bestaan.

De weg van de thora

De eerste manier van leven wordt in de eerste drie verzen onder woorden gebracht. De Statenvertaling gebruikte voor het allereerste woord van de psalmen (asjrei) een prachtige superlatief: welgelukzalig... Het woord gelukzalig werd gebruikt door de NBG, de bijbelvertaling uit de jaren 50 van de vorige eeuw. Wij moeten het nu in de Nieuwe Bijbel Vertaling doen met het woord "gelukkig".

1 Gelukkig de mens
die niet meegaat met wie kwaad doen,
die de weg van zondaars niet betreedt,
bij spotters niet aan tafel zit,
2 maar vreugde vindt in de wet van de HEER
en zich verdiept in zijn wet, dag en nacht.

De woorden die hier gebruikt worden slaan op het openbare leven van rechtvaardige mensen. Eerst wordt vastgesteld wat de rechtvaardige niet doet: hij gaat niet mee, hij betreedt niet en zit niet aan tafel bij degenen die kwaad doen, die zondaars en spotters worden genoemd. Het gaat in die woorden om mensen die vastberaden zich afkeren van de wil van God en om de principes van mensen die het met het leven niet zo nauw nemen. Die manier van leven neemt de rechtvaardige niet over. Dat betekent niet meegaan.
De rechtvaardige staat ook niet op de weg van de zondaars, dat wil zeggen hij maakt geen gemeenschappelijke zaak met mensen die iets anders tot doel hebben dan het doen van Gods wil. Het woord "zondaar" slaat op degenen van wie de persoonlijke doeleinden niet overeenstemmen met Gods bedoelingen.
Tenslotte verkeert hij ook niet in het gezelschap van de spotters, van degenen die in het openbaar zich gedragen als vijanden van God wil.

Deze manier van leven is gebaseerd op kennis. Er is een vreugde in het kennisnemen van wat God van de mens vraagt. Het hoogste in het menselijke leven is dan ook de kennis van de thora waarin dag en nacht gestudeerd wordt.

De tekst geeft ook nog in het derde vers het prachtige beeld van de bomen die gepland is aan de rand van het water. Dat water staat dan symbool voor de thora die mensen kan voeden.

De weg van de wettelozen

De andere manier van leven is het nauwkeurig het tegendeel van het eerste. Nu wordt niet de manier van leven beschrijven, maar alleen maar het lot van degenen die geen vreugde hebben in de thora. Zij hebben geen stabiliteit en zijn hulpeloos tegenover het goddelijk oordeel. Eigenlijk zijn zij de buitenstaanders omdat ze niet behoren tot de kring van de rechtvaardigen.

4 Zo niet de wettelozen!
Zij zijn als kaf
dat verwaait in de wind.
5 Wettelozen houden niet stand waar recht heerst,
zondaars niet in de kring van de rechtvaardigen.
In het zesde vers wordt de gedachtegang voltooid. Twee alternatieve levensstijlen zijn gepresenteerd. De rechtvaardige die zijn vreugde vindt in de thora, en de onrechtvaardige van wie het lot eigenlijk al vaststaat. Het zesde vers maakt duidelijk op grond waarvan deze levensstijlen verschillen. Uiteindelijk is dat alleen afhankelijk van God zelf: het is de Heer die het karakter en het gedrag van de rechtvaardigen kent en beschermt. En het is dus ook de Heer die volgens de schrijver van de psalm zal zorgen voor het hopeloze einde van de onrechtvaardige. Niet omdat hij bestraffend zal optreden, maar omdat het gedrag van de onrechtvaardige in strijd is met de structuur van de schepping zelf.

6 De HEER beschermt de weg van de rechtvaardigen,
de weg van de wettelozen loopt dood.